Weer thuis. Eerder dan gepland. Tweeënhalve week flodderjurkjes, bikini’s en handdoeken aan de waslijn. Tomaten als smaakbommetjes exploderend in mijn mond. Helderblauwe zee en rode zonsondergangen. Pastelkleurige dorpjes tegen groene berghellingen aangeplakt. Langs geitenpaadjes de berg af klauteren – warm, warm – wetend dat beneden een paradijselijk strandje wacht. De Vesuvius beklommen. Naar boven slingeren langs een helgeel pad van geurende mimosa, een koele wandeling langs de krater. Dwalen door de resten van gloeiendheet Pompei en Paestum. Lange, warme avonden kijkend naar groepen flanerende Italianen in de smalle straatjes van ons dorp. De jordanese in me wordt helemaal wakker. Kijken naar zuid Italiaans straatleven is beter dan eerste rij zitten in het Scala in Milaan. Pasgeboren babies gaan van hand tot hand – bello! mio caro!. In grote groepen wordt het leven doorgenomen. Jongeren lopen te praten, te lachen en te flirten. Isa en haar vriendin als blond, exotisch middelpunt onmiddellijk opgenomen. Iedereen is zo om en nabij de anderhalve meter en geloof me: dat schept een band. Als kersje op de taart – of olijfje in de martini – is er ook nog Matthijs van Nieuwkerk, die onze buurman op de berg bijkt te zijn.
Genieten dus. Maar wel met een randje. Want de bagage was iets anders dit jaar. Geen rugzak die je even wegzet. Dus ook tweeënhalve week slecht slapen. De nachten drukken zwaar. Het terras oplopen, kijken naar de Melkweg en de oplichtende golven. De mobiel altijd binnen gehoorsafstand. Voortdurend alert op signalen van het thuisfront. Tegelijkertijd alle zeilen bijzetten om in het hier en nu te blijven, er te zijn voor lief en Isa. Dat lukte tot maandag. Toen werden de berichten van het thuisfront slechter dan slecht. Ouders wanhopig. Bellen met broertje’s huisarts. We besluiten terug te gaan. ‘Het geeft niet,’ zegt lief. ‘We komen hier wel terug.’ Voor het laatst lopen door het huis. Luiken dicht, nog even kijken naar de zee. Mezelf voorbereidend op mijn rol als rots in de branding, grote zus. Rijden naar het vliegveld in Napels. Proberend een paniekaanval tot bedaren te brengen die ik zelf in gang zet door te denken aan wat komen gaat. ‘Je hoeft dit niet alleen te doen,’ zegt lief. Op Schiphol staan Eva en Ramon. En hartsvriendin is weer onder handbereik.
Nauwelijks binnen gaat de telefoon. Drinken wordt steeds moeilijker, de slokdarm zit dicht. Meteen vol aan de bak. Huisartsenpost bellen dat er iemand langsgaat om te kijken of het verantwoord is de nacht in te gaan zonder kunst en vliegwerk. Ambulance regelen om vandaag naar het AvL te gaan, kijken of het mogelijk is de slokdarm nog een beetje op te rekken. Moeiteloos pak ik mijn rol weer op. We zijn weer thuis.